Geschiedenis

Rond 1840 vond de Duitse loodgieter Julius Pintsch uit Berlijn een manier uit om gas te fabriceren uit olie. Met dit Pintschgas of Vetgas werd het mogelijk om spoorweg-wagons te verlichten met gaslantaarns met een voor die tijd revolutionair hoge lichtopbrengst. De gaslampen waren uitgevoerd met gloeikousjes die ongevoelig bleken te zijn voor stoten en trillingen. Het werd mogelijk om in de trein de krant te lezen! Een tweede toepassing van zijn gepatenteerde uitvinding was het verlichten van boeien. Pintsch leverde de gasboeien bij de ingangen van het Suezkanaal bij de opening in 1869. De Pintschgastanks in de boei (gasdruk 10-12 Bar) werden slechts 1 maal per jaar gevuld. De gaslantaarns (werkdruk 0,5 Bar) bleven het hele jaar continu branden. Rond 1900 was vrijwel elke treinwagon op de wereld voorzien van Pintsch gasverlichting en werden alle verlichte gasboeien door Pintsch geleverd. In de USA had Pintsch meer dan 100 Pintschgasfabrieken om aan de vraag te kunnen voldoen. In Nederland stonden 7 vetgasfabrieken in o.a. Amsterdam, Rotterdam, Zwolle en Amersfoort. Julius Pintsch had een groot verkoopkantoor in New York.

De Pintsch boeien en vuurtorens werden eveneens wereldwijd een begrip. Rond 1920 levert Julius Pintsch een compleet systeem voor elektrische treinverlichting en groeit uit tot de tweede gloeilampfabriek van Duitsland. Julius Pintsch ontwikkelde ook een stoom-verwarmingssysteem voor treinwagons. Dit lagedruk stoomsysteem wordt in alle luxe wagons van de Duitse Reichsbahn ingebouwd. In 1932 worden de eerste spoorwegovergangen geleverd. De meeste activiteiten werden na de Tweede Wereldoorlog voortgezet onder het huidige moederbedrijf Pintsch Aben.

Rond 1960 bedacht een brugwachter in Deventer een manier uit om spoorwissels te verwarmen met propaan terrasstralers die voorzien waren van 2 keramische blokken. Met hulp van een plaatselijke installateur werden een aantal van deze branders op een gegalvaniseerde buis gevit. De eerste branderpijp was een feit. De leverancier van de stralers was Arma uit Driebergen. De pijp bleek een groot succes en Arma verkreeg hierop een patent in 1966. In Zuid-Duitsland en Zwitserland bleek de pijp ook goed te voldoen. Pintsch Aben ontwikkelde een eigen pijp gebaseerd op het Arma principe. PINTSCH BANAG leverde deze pijp (onder Arma-licentie) in Duitsland en later ook in Nederland). De eerste branderpijpen moesten bakje voor bakje met een brander worden aangestoken terwijl op gezette tijden rondes moesten worden gelopen om te controleren of alle branders nog werkten. Ook moesten regelmatig de propaangasbussen handmatig worden omgewisseld. Nadat bijna een ernstige ongeluk was gebeurd met een propaantank in Winterswijk besloot de NS om alleen nog gebruik te gaan maken van het veilige aardgas dat rond 1980 overal in ons land beschikbaar was.

Arma ontwikkelde de branderpijp verder en er kwam in 1973 een aluminium type met een stalen ontstekingsbuis ernaast die alle bakjes tegelijk kon ontsteken. De eerste vonkontsteker in 1973 werkte op basis van een autobougie met een batterijvoeding. In 1974 werd Arma overgenomen door Aben uit Zeist, een leverancier van gas- gestookte ovens. De oergrondlegger van Aben was Cornelius Aben die rond 1850 een gastechnisch bedrijf oprichtte. In 1982 werden de keramische blokken vervangen door stalen gaaspakketten waarmee de revisietijd van de branderpijpen verlengd werd van 2 naar 6 jaar.

In 1985 werd Aben overgenomen door Sinus en werd Sinus Aben gevormd. Sinus Aben leverde naast gasinfrarood wisselverwarmingssystemen ook elektrische ovens, elektrische elementen en elektrowarmtewisselaars voor industriële toepassingen. Sinus Aben introduceerde in 1990 in ’t Harde het eerste computergestuurde en bewaakte wisselverwarmingssysteem (SAC= Sinus Aben Control).

Pintsch Aben nam in 1994 de wisselverwarmingsactiviteiten van Sinus Aben over. Het agentschap van Pintsch Aben in Katwijk en de wisselverwarming uit Zeist verhuisden naar de huidige locatie van PINTSCH ABEN in Maarssen. De oprichting van PINTSCH ABEN was een feit.